Het gezin Van der Hoeden valt uiteen. Erwin, de oudste zoon, wordt als eerste opgepakt en overleeft Mauthausen niet. Alice vlucht naar Oss, naar een vriend die haar uiteindelijk voor zeven gulden vijftig zal verraden.
Moeder Johanna, zus Ilse en vader Salomon worden één voor één gedeporteerd naar Auschwitz. Op 31 januari 1944 worden beide zussen op dezelfde dag vergast.
Alleen Edmund, de jongste, overleeft. Eigenwijs, sterk en met roodgeverfd haar op de vlucht, wordt ook hij uiteindelijk verraden en naar Auschwitz gestuurd. Hij overleeft door keihard werk in de mijnen en door zich bij de bevrijding dagenlang tussen de doden te verstoppen.
Via veldhospitalen in Tsjechië en een jaar herstel in Parijs keert hij terug naar Nederland, waar zijn oude woning door vreemden bewoond wordt en brieven van het Rode Kruis hem druppelsgewijs vertellen wat hij al vreesde.
Ed vertelt over de littekens op zijn vaders rug, over formulieren invullen als veertienjarige en over een man die nooit leerde praten over wat hem was aangedaan.
Een intiem en soms rauw gesprek over wat oorlog achterlaat. Niet alleen bij wie het meemaakte, maar ook bij de generatie erna.