Eind 1884 melden zich 200 polderjongens in Almelo. Deze kanaalgravers komen uit Groningen, Drenthe en de kop van Overijssel. Met een schep en kruiwagen beginnen zij aan een enorme opgave: het graven van een bijna 30 kilometer lange sleuf. Hoe ziet hun (werkzame) leven eruit en houden zij dit loeizware werk vol?
Als de monsterklus eindelijk geklaard is, blijkt dat het kanaal 'mislukt' is. Door een opeenstapeling van ontwikkelingen gaan er nauwelijks schepen doorheen en gaat halverwege de vorige eeuw de vaarfunctie ervanaf. Wat heeft er voor gezorgd dat het kanaal als (historische) miskleun wordt bestempeld?