Voor Paula Joosten-Berendsen (1931) begint de oorlog met dat ene moment: haar vader die haar ’s ochtends vroeg uit bed roept. Buiten ziet ze de lucht zwart van de vliegtuigen en marcheren Duitse soldaten langs de dijk.
Wanneer het gezin moet evacueren, vertrekken ze met paard en wagen. Via Aerdt komen ze uiteindelijk in Didam terecht, waar ze onverwacht weer weg moeten vanwege ziekte in het huis waar ze verblijven. Haar vader gaat op zoek naar een oplossing en vindt een leeg kippenhok. Daar blijft het gezin — dicht op elkaar, slapend op stro en onder oude jassen, boven geiten.
Tussen de spanning door zijn er ook momenten die blijven hangen: een kogel die vlak langs haar jas inslaat, een vrouw die haar van straat trekt vanwege sluipschutters en het dansen met Engelse soldaten na de bevrijding.
Een verhaal dat dichtbij komt door de kleine, concrete herinneringen van een kind in oorlogstijd.